home | stats | gelinkt door | beheer | maak je eigen weblog aan! | Wil je mijn visitekaartje? punt.nl


MOEILIJKHEDEN IN CBF'S ANALYSE VAN EIGEN CIJFERS
Financieel | 27 December 2010 | 15:11:22
 Inleiding


Op 28 oktober 2009 publiceerde een groep burgers een open brief aan het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF) met daarin de vraag:


Waarom gaat het CBF risicodragende beleggingen aan terwijl zijn inkomsten grotendeels afkomstig zijn van overheidssubsidies en fondsenwervende instellingen, dus vooral geld van belastingbetalers en donateurs?”


Het CBF antwoordde daar op 11 december 2009 als volgt op:


In 1997 heeft het CBF het eigen pand in de Vondelstraat in Amsterdam verkocht. Een deel van de verkoopopbrengst van het pand is vanaf 1997 als langetermijnbelegging op basis van een neutraal profiel belegd voor mogelijke verplichtingen in het kader van de Werkeloosheidwet (het CBF is eigenrisicodrager) en herhuisvesting, zoals nader toegelicht in ons jaarverslag. Het geld is dus niet afkomstig van overheidssubsidies en fondsenwervende instellingen zoals in de open brief ten onrechte wordt gesuggereerd. Met deze reactie menen wij een afdoende antwoord te hebben gegeven op dit punt”
(communicatie opvraagbaar bij het CBF zelf).


Opmerkingen


Het gegeven antwoord kan beslist niet als ‘afdoende’ worden beschouwd. Het CBF heeft niet aangetoond dat beleggingsgeld, op zijn minst ten dele, niet afkomstig is van overheidssubsidies en fondsenwervende instellingen. Integendeel, dat is precies wat CBF’s eigen gegevens suggereren.


Hieronder volgen conclusies van een analyse van CBF’s gepubliceerde jaarrekeningen van de jaren 1997-2008. Deze analyse is opvraagbaar bij de auteur, André van Dokkum. Het CBF heeft op de analyse eveneens gereageerd, in een communicatie aan de genoemde groep burgers gedateerd 21 juni 2010. Die communicatie loste enkele historische onduidelijkheden op maar gaf geen aanleiding tot het wijzigen van de onderhavige analyse zelf. Het is niet bekend of de communicatie van 21 juni 2010 opvraagbaar en dus publiekelijk toegankelijk is, daarom wordt er hier niet uit geciteerd. Alleen is hieronder op basis van die communicatie de uitdrukking ‘overheidsgelden en bijdragen van fondsenwervende instellingen’ waar nodig vervangen door ‘overheidsgelden en/of bijdragen van fondsenwervende instellingen’.


Kern van de zaak is dat het CBF in zijn antwoord van 11 december 2009 (zie citaat hierboven) deed voorkomen alsof de waarde van de verkoop van het betrokken pand in 1997 volledig de waarde van de genoemde belegging kon dekken. Dat is onjuist. De waarde van de belegging was substantieel hoger dan de verkoopopbrengst en is dus deels ook gefinancierd met andere middelen die het CBF in zijn brief van 11 december 2009 niet heeft toegelicht. Dit is relevant omdat er eind boekjaar 2008 geen beleggingswinst maar juist een verlies is gerealiseerd ten opzichte van de oorspronkelijke inleg. Dit is met CBF’s jaarverslagen vanaf 1997 behoorlijk goed te traceren.
(Zie daarvoor de opvraagbare analyse).


Het verlies dat geconstateerd kan worden eind boekjaar 2008 (en overigens ook eind 2009) kan voor het overgrote deel niet gefinancierd zijn uit de verkoopopbrengst van het pand. Mogelijke kandidaten voor de financiering van het verlies zijn eigen middelen van het CBF en overheidsbijdragen (‘subsidie’, ‘afkoopsom’ of anderszins), waarbij de eigen middelen eveneens voor een groot deel gefinancierd worden met overheidsgelden (ook gemeenten) en bijdragen van fondsenwervende instellingen. Relevant detail hierbij is dat de verkoopopbrengst van het pand voor het overgrote deel nog steeds gereserveerd staat voor huisvesting en dus juist nauwelijks het verlies financiert (zie ook hiervoor de opvraagbare analyse).


Conclusies


Het CBF heeft in de communicatie van 11 december 2009 onvolledig geantwoord met betrekking tot de in de inleiding genoemde vraag in de open brief van 29 oktober 2009. Slechts een deel van het oorspronkelijke beleggingsbedrag is verklaard, waarna het aan het publiek was om aan te tonen dat het antwoord niet afdoende was.
Dit schept twijfels over de communicatieve effectiviteit van het CBF ten behoeve van het publiek. Juist van een organisatie als het CBF, als verstrekker van keurmerken, kan en moet verwacht worden dat het helder weet te informeren over financiële zaken.


Het is moeilijk voor te stellen dat het CBF niet gezien heeft dat het op 11 december 2009 een onbevredigend antwoord gaf over de samenstelling van het oorspronkelijke beleggingsbedrag. Op pagina 16 van het CBF-jaarverslag 2008 wordt immers duidelijk melding gemaakt van het oorspronkelijke beleggingsbedrag en een bedrag voor vrijgekomen vermogen door verkoop pand dat veel lager is. De redenatie dat het verdwenen geld afkomstig is van de verkoop van het betreffende pand is geen triviale zaak omdat dit als zodanig is opgepikt door sommige media. Zie bijvoorbeeld http://www.wereldburgers.tv/2009/10/29/fors-beursverlies-waakhond-goede-doelen/; 29/11/2009, geraadpleegd 28/11/2010: “Het CBF laat weten dat het geld dat is verdwenen afkomstig is uit de verkoop van een pand. Ze vindt de kritiek dat ze zou beleggen met geld van belastingbetalers en donateurs daarom niet terecht.”


Gerelateerd hieraan rijst er ook gerede twijfel over het financiële beheer zelf van het CBF. Na diverse jaren verliezen te hebben geleden blijft het in 2003 nog doorgaan met de bestaande risicodragende belegging. Een spaarconstructie was vele malen profijtelijker geweest. Bovendien is het verlies uiteindelijk tenminste gedeeltelijk gedekt met middelen anders dan de verkoopopbrengst in 1997 van het betreffende pand, waarbij overheidsgelden en/of bijdragen van fondsenwervende instellingen hebben deelgenomen en nog steeds deelnemen aan het risico. Een dergelijke situatie verdient sterke aanbeveling te worden beëindigd, omdat het niet in het belang is van belastingbetalers en/of instellingen of individuen die doneren aan fondsenwervende organisaties met een CBF-keurmerk. Als toezichthoudende instelling zou van het CBF ook meer een voorbeeldstellende houding verwacht mogen worden met betrekking tot prudent financieel beleid.


Meer algemeen zou de methodiek van controle op organisaties eens onder de loep genomen kunnen worden. Goedkeurende accountantsverklaringen of accreditaties kunnen beschouwd worden als minimumnormen maar zeggen op zichzelf weinig over hoe geld in de praktijk besteed wordt. Een focus alleen op controle van registraties en interne procedures van een organisatie geeft geen garanties voor een effectieve besteding van middelen.


André van Dokkum

Correspondentie: theory.anthropology@gmail.com

27 december 2010

reageer | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 97


 

Home   weblog sinds: 2010-11-28

Ontwikkeld door punt.nl en gehost door mijndomein.nl. Problemen met de inhoud van deze log? Klik hier.